Twekkelo de (doopsgezinde) Gemeente van Twente

Bronnen:
1: De doopsgezinden in Twekkelo, Door J.J. van Deinse, Enschede, Overdruk uit het Twentsch Dagblad Tubantia van Zaterdag 17 October 1925
2: Verpondingsregister 1601
3: G.H. Overbeek

Dat de onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied in de 16e, 17e en 18e eeuw ook in Twente groot is geweest is algemeen bekend. Talloos vele boerenerven worden nog aangewezen als de plaatsen waar de verschillende godsdienstige secten in tijden van verdrukking in het geheim hun godsdienstige bijeenkomsten hielden. Voor de katholieken in Hengelo waren dit de erven Harmelink te Woolde en het Rosink bij Delden, terwijl op het erve 'n Haimer te Twekkelo nog een boerenhuis (thans een schuur) staat dat door de Twentse doopsgezinden als zogenaamde 'kerkschuur' voor het in het geheim houden van hun godsdienstoefeningen werd gebruikt.
Voor zover bekend wordt de kerkschuur in Twekkelo voor het eerst genoemd door Ds. B. Rusburg, die van 1805-1824 doopsgezind predikant te Hengelo was. Ds. Rusburg noemt de naam van de boer van het erve te Twekkelo, Hayma, een wel wat eigenaardige naam, voor een Twentse boer. Wellicht heeft Rusburg de naam opgeschreven zoals uitgesproken en die in werkelijkheid Haimer was.
Reeds in het midden der 16e eeuw waren in Twente doopsgezinden, bijvoorbeeld de freules van Beckum (1544). Er waren er, die uit Vlaanderen naar deze streken gevlucht waren en later kwamen veel Doopsgezinden uit Westfalen hier hun toevlucht zoeken. Het werd echter deze vluchtelingen ook in Twente niet gemakkelijk gemaakt en ze waren gedwongen hun godsdienstige samenkomsten op zeer afgelegen plaatsen, zoals bijvoorbeeld in Twekkelo te houden, waar vele boeren hun geloofsgenoten waren. Zo ontstond daar de doopgezinde gemeente te Twekkelo, die elders in het land bekend stond als de 'Gemeente in Twente'. Waarschijnlijk was dit reeds in de 16e eeuw het geval, meer zekere berichten over de doopsgezinden in Twekkelo dateren echter uit de 17e eeuw.
In het verpondingsregister van 1601 staat geschreven dat Overbeek (Averbecke) de belasting afgeeft namens God (Die meyer geit propter Deum), waarschijnlijk om duidelijk te maken dat ze bijzonder vroom waren. Een boeklegger in boekwerk 'Het bloedigh toneel der doopsgesinde en weereloose christenen' was bij Overbeek gelegd bij de pagina over de martelaar Maria van Beckum. Maria van Beckum en haar schoonzus Uersel zijn ter dood veroordeeld door de Spaanse inquisitie en op de brandstapel gezet door de Heer van Twickel, Goossen van Raesveld. Als beloning hiervoor kreeg de Heer van Twickel het erve Altena in Beckum en het Huis te Beckum. Eerdere slechte ervaringen met de Heer van Twickel (hij zou tienden hebben geïnd voor de Bisschop van Utrecht, maar ermee zijn verdwenen naar Duitsland) hadden er al toe geleid dat de boeren zich tegen de Heer van Twickel hadden gekeerd. Na de terdoodbrenging van de freules van Beckum zouden de grote boeren uit Borne, Beckum, Zenderen en Twekkelo die allen samenkwamen op de markt in Hengelo zich uit weerstand tegen de heer van Twickel bekeerd hebben tot de doopsgezinden.
De samenkomsten van de doopsgezinden moesten in diep geheim plaatshebben en het bezoeken ervan was dikwijls levensgevaarlijk. Geen wonder dus, dat de doopsgezinden erop uit waren om middelen te beramen om zonder in het oog te lopen vanuit Hengelo, Borne, Enschede enz., Twekkelo te kunnen bezoeken.

Er bevindt zich in de Oudheidkamer te Enschede een voorwerp dat hieraan schijnt te herinneren. Het betreft een eikenhouten stok met dito knop, 1.12 meter lang, aan de onderkant voorzien van een zware ijzeren punt. Het onderste gedeelte kan worden afgeschroefd en worden vervangen door een platte ijzeren figuur in de vorm van een haantje, ongeveer 10 cm lang. Dit haantje kon dienst doen als snoeimes bij het snoeien van bomen. Dit wandelstok-snoeimes werd waarschijnlijk door de doopsgezinden gebruikt bij hun bezoek aan hun geheime samenkomsten in Twekkelo. Als steun bij de wandeling en tevens in geval van nood een wapen, dat toch weer geen wapen was. Werd men lastig gevallen met vragen, dan zei men dat men bomen ging snoeien en ontkwam op deze wijze aan het gevaar om verhinderd te worden naar 'n Haimer te gaan of erger nog: om gevat te worden.

De haan is voorzien van het jaartal 1612. In datzelfde jaar 1612 vaardigde de Drost van Twente Unico Ripperda tot Boekelo een zeer streng plakkat uit tegen de doopsgezinden, waarbij een ieder werd bevolen 'de bijeenkomsten der Doopsgezinden zoveel mogelijk te storen en de hoorders, doch vooral de leraren of voorganger te vatten. Het blijkt hieruit wel dat juist vooral in dat jaar de doopsgezinden gedwongen waren middelen uit te denken om aan vervolging en gevangenneming te ontkomen.
Nog een paar maal braken moeilijke tijden aan, die de doopsgezinden dwongen weer in Twekkelo hun heil te zoeken en wel tijdens de invallen van Bernard van Galen in 1665 en 1672. Toen was 'n Haimer weder hun toevluchtsoord en woonde daar zelfs hun voorgangen Hendrik Cremer. In de jaren, dat het Münsterse krijgsvolk hier het land afstroopte, moesten de doopsgezinden, die over het algemeen zeer welgesteld waren, in het bijzonder op hun hoed zijn. Ook 'n Haimer was volgens de overlevering zeer rijk. In Twekkelo kan men daarover nog fantastische verhalen horen. Zo zou eens in die tijd, dat met het bedrag van zijn vermogen moesten opgeven 'n Haimer bij zijn buurman Overbeek zijn gekomen om te vragen wat hem dacht als hij eens tachtig duizend gulden als zijn bezit opgaf. Het vele geld dat de familie Haimer in klinkende munt bezat, zou door haar steeds in een eikenhouten kist bewaard zijn en opdat het niet zou schimmelen roesten, eens per jaar in een wan zijn uitgeschud. Bovendien was de familie zo overdreven arbeidszaam, dat men in de drukke tijd niet naar bed ging, doch op stoelen tegen de muur bleef slapen, ten einde toch maar weer vroegtijdig gereed te zijn, om aan het werk te kunnen gaan.
Toen rustiger tijden aanbraken, hielden de meer of minder geheime samenkomsten der doopsgezinden te Twekkelo langzamerhand op, omdat de boerschap te afgelegen was en de plaats van samenkomst te klein werd. In de notulen van de Societeit der Oude Vlamingen te Groningen wordt 'de gemeente in Twente' te Twekkelo nog in het begin der 18e eeuw vermeld.
Het aantal doopsgezinden daar nam echter meer en meer af, vooral ook doordat de hervormde predikant Strick uit Enschede velen tot het hervormde kerkgenootschap overhaalde.
Hoe meer zich de doopsgezinde gemeenten in de stadjes en dorpen van Twente ontwikkelden en uitbreidden, des te meer ging de gemeente in Twekkelo achteruit en ten slotte hielden de bijeenkomsten op het erve 'n Haimer op en verdwenen de doopsgezinden geheel uit de boerschap.

Thans wordt het oude huis als schuur gebuikt, maar nog het 't oale hoes genoemd.
Nu naar eeuwen kan men stil staan bij deze (inmiddels gerestaureerde) schuur, waarheen de vervolgde doopsgezinden zich zo dikwijls in het geheim en met gevaar voor hun leven hebben moeten begeven, waarbinnen zij eens hun 'veelderhande liedekens' hebben gezongen en uit het 'Offer des Heeren' hebben aangeheven het martelaarslied der Freules van Beckum, dan komen we ook hier weer onder de diepe indruk van de geloofsmoed der vervolgde christenen van alle tijden, die geen gevaren, hoe groot ook vreesden om God te kunnen dienen op de wijze, die naar hun innige overtuiging de enige ware was.